Fokkerij - Sturen op individuen, consequenties voor populaties

Auteur: ir. Ed. J. Gubbels

bron: Genetic Counselling Services (mei 1999)

Inleiding
In de huidige rashondenfokkerij ligt het accent van de selectie in hoofdzaak bij het exterieur. In de ogen van velen is een rashond pas een ècht waardig vertegenwoordiger van het ras, als die tenminste de score ‘Uitmuntend’ op de show heeft gehaald. Nog beter, als die als eerste werd geplaatst. Veel fokkers hebben dan ook een nauwelijks te bedwingen neiging, om voor de benodigde dekkingen naar de reuen te gaan, die het hoogst scoorden op de tentoonstellingen. Als het half kan gaan ze gaan ze uitsluitend naar de kampioenen.

Het gevolg van deze overwaardering van het exterieur is, dat de aspecten gedrag en gezondheid per definitie een ondergeschikte plaats in de selectieprogramma’s krijgen. De aspecten, die voor de eigenaar van ‘zomaar een huishond’ het meest van belang zijn, worden in de fokkerij van rashonden te vaak tot sluitpost van de begroting gemaakt. Men gaat voorbij aan de meest wezenlijke aspecten in de relatie tussen mensen en honden en stelt de verpakking boven de inhoud.

Deze benadering van de fokkerij van rashonden heeft verdergaande consequenties. Er zijn nu eenmaal maar weinig kampioenen en er zijn erg veel ‘overige honden’. Doordat men telkens weer kiest voor het inzetten van de kampioenen, wordt de erfelijke aanleg van deze dieren overmatig ingebracht in volgende generaties. Behalve de (in de ogen van sommigen) ‘superieure’ genen voor exterieuraspecten (het gaat om hooguit een paar honderd genenparen) wordt ook de erfelijke aanleg van de overige 50.000 genenparen overmatig verspreid. We hebben er nauwelijks zicht op wat we daarmee aanrichten. Het enige wat we zeker weten is, dat letterlijk elk individu belast is met schadelijke genen. Dat betekent dat we, bij het overmatig verspreiden van deze genen, vroeg of laat de prijs daarvoor moeten betalen Zowel in de vorm van verlies aan vitaliteit en fertiliteit als in de vorm van zich explosief verbreidende erfelijke afwijkingen.

Met het bevorderen van de verspreiding van de erfelijke aanleg van een beperkt aantal individuen, verliezen we de erfelijke bijdrage van te veel andere. Bij de meeste rassen nemen we dan ook een toenemend verlies van erfelijke variatie waar, in combinatie met een stijgend niveau van inteelt. Terwijl we hard werken aan het bereiken van de grootst mogelijke fenotypische eenvormigheid, werken we langzaam maar zeker toe naar de grootst mogelijke genetische eenvormigheid. In dit proces verliezen we voortdurend stukjes erfelijke aanleg, die voor het functioneren van individuen van levensbelang zijn. We zien bij nogal wat rassen de symptomen van deze ontwikkeling optreden. Honden verliezen aan functionele mogelijkheden, ze worden kwetsbaarder, de frequentie van gezondheids- en gedragsproblemen neemt toe.

Als we de huidige situatie bij de fokkerij van rashonden samenvatten, dan stellen we vast dat er sprake is van een onevenredig grote aandacht voor exterieuraspecten van individuen. De gevolgen van negatieve bijdragen van die individuen aan de populatie, krijgen daarbij te weinig aandacht. We sturen onze fokkerij op individuen en hebben te weinig oog voor de consequenties daarvan voor de populaties.

De rol van de keurmeester
Of we het ermee eens zijn, of niet, we hebben geen keuze. Voor de korte termijn kunnen we weinig anders doen, dan de hierboven geschetste situatie als gegeven nemen. Het betekent wèl, dat daarmee bij de keurmeester een aanzienlijke verantwoordelijkheid wordt gelegd. Elke hond, die door de keurmeester van de classificatie ‘Uitmuntend’ wordt voorzien, wordt daarmee aangewezen als een van de mogelijke stam-ouders van de komende generaties. Erger nog, de honden die door keurmeesters op de eerste plaats worden gezet, worden daarmee aangewezen tot zekere stam-ouders van een groot aantal nakomelingen in de generaties die volgen. Voor de keurmeester schept dat een grote verantwoordelijkheid.

Fokkers blijken, bij het bepalen van de selectiecriteria die zij aanleggen, in belangrijke mate, vaak zelfs in hoofdzaak, het oordeel van de keurmeester te volgen. De keurmeester die meende, dat hij een hoofdrol speelt in wat begon als een ‘onschuldige miss-en mister-verkiezing’, wordt in de praktijk van de rashondenfokkerij geconfronteerd met consequenties, waarvan hij zich moet afvragen òf en hoe hij die wil dragen. Voor de keurmeester betekent dat, dat zijn beoordeling verder dient te reiken, dan alleen maar de vaststelling dat een hond (in het licht van de thans geldende idealen) de fraaiste verschijningsvorm heeft. De hond met het door de keurmeester aangewezen fraaiste exterieur zal in hoge mate de genetische toekomst van het ras meebepalen.

De mate waarin levende wezens ‘welzijn’ ondervinden, wordt bepaald door de mate waarin zij in staat zijn te functioneren in hun leefomgeving. Elke belemmering in dat functioneren, zowel op het punt van gezondheid als ten aanzien van het gedrag, veroorzaakt een beperking van het welzijn van het individu. Erger nog, de meeste van die belemmeringen in het functioneren hebben een erfelijke basis. Daarmee worden ook volgende generaties opgezadeld met de beperkingen van de individuen die wij nu uitverkiezen voor de fokkerij.

Voor wie als keurmeester de hem toebedeelde verantwoordelijkheid neemt, is de conclusie onontkoombaar. De honden met de fraaiste uiterlijke verschijningsvorm mogen slechts worden aangewezen binnen de groep van honden, die qua functioneren (qua gezondheid en gedrag), voldoen aan de normen, die wij als maatschappij daarvoor hanteren. Honden met beperkingen in hun functioneren dienen de kwalificatie ‘Matig’ te krijgen, honden met aanzienlijke beperkingen in hun functioneren moeten worden gediskwalificeerd. Elke concessie op dit punt leidt tot een aantasting van de toekomstkansen voor het ras. De prijs voor die concessies wordt vooral door de honden in volgende generaties betaald, zij lopen het risico met beperkingen in gezondheid of in gedrag door het leven te moeten gaan.

Nadat we dit hebben vastgesteld, komen onmiddellijk de vragen naar invulling en de reikwijdte van die verantwoordelijkheid van de keurmeester. Wie meent, dat zijn verantwoordelijkheid voor het ras ophoudt zodra hij de ring verlaat, is kennelijk geen partij in deze discussie. Voor de overigen ligt er een moeilijk probleem. Hoe objectiveren we die ‘normen, die wij als maatschappij daarvoor hanteren’? Welke harde criteria kunnen we aanleggen zodat dat begrip ‘goed functioneren’ een over de volle breedte van de kynologie gedragen inhoud krijgt? Voor de extreme situaties is het duidelijk. Zodra een hond een zodanig afwijkende bouw van de achterhand heeft dat het dier nog nauwelijks kan lopen of door een al te kort aangezicht regelmatig aan verstikkingsrisico bloot staat, kiezen de meesten van ons voor diskwalificatie. Maar hoe zit dat in dat grijze middengebied? Hoe bepalen we daar de grenzen van wat nog kàn en wat onaanvaardbaar is? En wat betekent dat dan voor de verschillende rassen? Is er een norm voor ‘honden’ of moeten we op zoek gaan naar normen voor rassen? Kan het zelfs zo zijn, dat er (in hun huidige vormgeving) onaanvaardbare rassen zijn?

Het zou contraproductief zijn, als we eerst zouden trachten op deze vragen de antwoorden te vinden om pas daarna de bereikte conclusies in praktijk te brengen. Het vinden van de normstelling voor het beoordelen van honden op de kwaliteit van hun functioneren vergt tijd. Dat is een zaak van constructief samen overleggen, van proberen, van vallen en vooral ook van telkens weer opstaan. Het behoort tot de wezenskenmerken van onze kynologie om van keurmeesters hun onafhankelijk oordeel te vragen over honden. Keurmeesters hebben niet alleen kennis van de exterieureisen van een of meer rassen, ze hebben verstand van honden. Ze weten hoe honden zouden moeten functioneren en kunnen de beperkingen daarin onderkennen. Het is aan de keurmeesters om het voortouw te nemen, het is aan de kynologie om daarover, met de keurmeesters, de discussie aan te gaan.

In die discussie over aan te leggen beoordelingscriteria zal zeker aan de orde komen dat er van sommige honden uitslagen beschikbaar zijn van officiële gezondheidsonderzoeken, terwijl die er voor andere honden niet zijn. Misschien zelfs kent de keurmeester een deel van de uitslagen hiervan en zou er dus sprake kunnen zijn van ongelijke behandeling. Wil er sprake zijn van een zo objectief mogelijke beoordeling, dan zal de keurmeester slechts afgaan op datgene, dat hij objectief kan vaststellen. Dat betekent dat een hond met een uitstekend gangwerk, ook al is hij radiologisch als zwaar HD-lijder geclassificeerd, niet achtergesteld kan worden bij een vergelijkbare hond, waarover niets bekend is of die misschien een goede HD-uitslag heeft. Indien we dat principe loslaten, zadelen we de keurmeester op met de onredelijke opdracht om te kiezen tussen individuen waarover ongelijksoortige stukken informatie beschikbaar zijn. Erger nog, het ‘toevallige weten’ gaat deel uitmaken van de weging. Anders wordt dat natuurlijk, wanneer de kynologie (de rasvereniging) besluit, dat er bijvoorbeeld een HD-uitslag moet zijn voor elke te beoordelen hond van een ras en dat deze informatie bij de keurmeester beschikbaar dient te zijn als mee te wegen factor bij de beoordeling. Dan vervalt de ongelijkheid tussen de te beoordelen honden en kan de keurmeester deze informatie in zijn afwegingen betrekken.

Tot slot moeten we ons realiseren dat elke beoordeling, elke meting, een ‘meetfout’ heeft. Die meetfout wordt veroorzaakt doordat de meetomstandigheden nooit helemaal gelijk zijn waardoor twee meetresultaten van dezelfde groep nooit exact aan elkaar gelijk zijn. Waar het gaat om een subjectieve vaststelling van classificaties zal het gewicht, dat door de beoordelaar aan de verschillende aspecten wordt toegekend, bepalend zijn voor de ranking van de individuen. Dat betekent, dat twee onafhankelijk werkende beoordelaars vrijwel nooit precies dezelfde volgorde in een resultatenreeks zullen bereiken. Op zich is dat niet erg. Belangrijk is, dat hun beoordelingen op hoofdlijnen overeen stemmen. Dan wordt alleen nog in dat grijze middengebied pijn geleden, daar waar de ene beoordelaar een iets strengere grens hanteert dan de andere. Vanuit de populatie bezien is dat geen probleem, we zaten daar toch al in dat zorgelijke gebied, waar we er niet zeker van waren of we het ras een dienst bewijzen door deze honden toe te laten tot de fokkerij. Door de individuele eigenaar van een hond, waarmee hij hoopte te gaan fokken, wordt deze problematiek natuurlijk heel anders beleefd.

Tegensputteren
In discussies over de rol van de keurmeester in relatie tot welzijnsaspecten van honden, wordt met enige regelmaat naar voren gebracht, dat het helemaal de taak van de keurmeester niet is om zich met andere zaken te bemoeien dan het exterieur. ‘Wij zijn er alleen maar om het exterieur van de hond te toetsen aan de standaard’ is een regelmatig geponeerde stelling. In dezelfde lijn ligt de bewering dat wij, de keurmeesters, het ook allemaal niet kunnen helpen, ‘dat staat nou eenmaal in de standaard’. Die standaard wordt door anderen (misschien zelfs in een ver vreemd land) opgesteld en daar hebben wij helemaal geen invloed op. Bovendien, de Raad van Beheer legt ons de verplichting op om aan de hand van die standaard te keuren.

Op zich lijken dat redelijke verhalen, ze verwoorden de veronderstelde machteloosheid van het kleine radertje in de grote machine. Desondanks zijn er een paar kanttekeningen te maken bij dit soort stellingnamen. Het is toch op z’n minst een merkwaardig verhaal, dat er keurmeesters zijn, die zich bekwaam achten het exterieur van honden beoordelen en zich niet bevoegd (of competent?) achten om na te gaan of er in dat exterieur nog een redelijk-functionerende hond zit. Er zit toch enige redelijkheid in de veronderstelling, dat het exterieur van een hond niet alleen deel uitmaakt van de functionaliteit, het exterieur hoort daar zelfs dienstig aan te zijn.

Evenzo kan de vraag worden gesteld of de gevestigde regels en regelgevers (de standaarden en de Raad van Beheer) inderdaad welzijnsaantastend dictatoriaal gedrag vertonen. Wellicht is het zo, dat vrijwel elke standaard voldoende ruimte biedt voor interpretaties. Misschien hoeven zware hoofden niet zo zwaar te zijn, dat ze geboortemoeilijkheden veroorzaken. Zou het kunnen, dat grote honden niet persé zo groot moeten zijn, dat daarbij de structuur van de hond de beperkende factor wordt? En hoe zit dat met al die huidplooien, moeten die ècht zo overdadig aanwezig zijn, dat de hond daardoor met chronische ontstekingen wordt opgezadeld? En mocht het dan zo zijn, dat een standaard daadwerkelijk eisen oplegt, die strijdig zijn met de welzijnsbelangen van het individu, hoe zit dat dan met de eigen ethische afweging? Wie durft het aan, om zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid met de nuchtere mededeling dat hij de regels alleen maar uitvoert, hij heeft ze niet gemaakt.

Een argument dat, als zodanig, dichter tegen de redelijkheid aanleunt, is de stelling dat keurmeesters slechts informatie hebben over de fenotypische verschijningsvorm van de hond, het zijn geen dierenartsen. Daar is weinig op af te dingen, behalve dan, dat dit geen argument is in de hier gepresenteerde discussie, dat we proberen twee wezenlijk verschillende benaderingen van hondenbelangen op een hoop te vegen. Dierenartsen beginnen hun oordeelsvorming met een beoordeling van de fenotypische verschijningsvorm (het vaststellen van de uiterlijke symptomen) en gaan dan verder. Ze beschikken over middelen om niet alleen vast te stellen, dat het fout zit, ze doen ook nog vreselijk hun best om uit te zoeken hoe dat komt en gaan op zoek naar trucs en technieken om de nadelige effecten voor het individu weg te nemen, te onderdrukken of tot een minimum te beperken.

Van de keurmeester wordt niet verlangd, dat hij tot diagnoses komt, die bijdragen tot verbetering van de situatie van de ter beoordeling aangeboden hond. De keurmeester stelt vast dat hij aspecten waarneemt, die het individu in zijn functioneren belemmeren. Vanuit de wetenschap, dat het merendeel van deze aspecten een erfelijke basis heeft, besluit hij dat dit dier, voor zover hij daar invloed op kan uitoefenen, nooit een fokdier zou moeten worden. De dierenarts kijkt vanuit de belangen van het individu, de keurmeester kijkt vanuit de belangen van de populatie (het ras).

Tot slot een argument, waartegen weinig in te brengen is. Als wij hier in Nederland anders gaan keuren, daar waar wij de standaard anders gaan interpreteren, lopen wij het levensgrote risico, dat onze honden internationaal niet meer meetellen. Ja, dat risico zit er in. Althans, voor de korte termijn.

De vraag is aan de orde, hoe wij welzijnsbelangen van honden moeten wegen ten opzichte van belangen van hun eigenaren. Misschien moeten we het zelfs welzijnsbelangen van die eigenaren noemen. Het antwoord moet op de eerste plaats door de directbetrokkenen worden gegeven, door fokkers, door exposanten, door keurmeesters. En, uiteindelijk zal er een antwoord moeten komen van al degenen samen, die zich verantwoordelijk voelen voor onze honden en onze rassen. Uiteraard is daarbij tevens aan de orde, hoe zich het denken over het welzijn van rashonden ontwikkelt in de ons omringende buitenlanden. Er zijn aanwijzingen, dat er ook daar bewegingen zijn in dit denken. En zelfs als die bewegingen er niet waren, het zou geen reden kunnen zijn om hier de discussie en de meningsvorming te stoppen.

Overdrijving en monomanie
Ter afronding moeten we nog een paar opmerkingen maken over de huidige praktijk van het keuren van honden. Het accent van de keuringen ligt bij het exterieur. Daarbij komt functionaliteit alleen aan de orde, wanneer de keurmeester daarvoor kiest. Daar is formeel, vanuit de beslissingsruimte die de kynologie aan keurmeesters geeft, niets op aan te merken. Vanuit het besef, dat de invloed van de keurmeester niet ophoudt, zodra de honden de ring verlaten, hebben we in het voorgaande een aantal opmerkingen gemaakt. Het is verheugend vast te stellen, dat een toenemend aantal keurmeesters deze verantwoordelijkheid neemt en de consequenties daaruit trekt.

Desondanks, ook met de huidige formele situatie in ons achterhoofd, is er ruimte voor enige kritische kanttekeningen. Nog steeds worden binnen sommige rassen honden gefokt, waarvan bepaalde lichaamskenmerken dimensies hebben, die de grenzen van de biologische realiteit te buiten gaan. Deze ontwikkeling wordt bevorderd door de selectie, die de keurmeester in de ring aanbrengt. We stipten dat in het voorgaande al aan.

Het is voor de kynologie als geheel de vraag of we hier nog met keuringsopvattingen van doen hebben, die in lijn zijn met de geest van de huidige beslissingsruimte, die de keurmeester heeft. Het is voor ieder van ons afzonderlijk de vraag, in hoeverre wij gerechtigd zijn aan dieren last, pijn en ongemak toe te brengen omwille van het bereiken van extreme varianten van uiterlijke kenmerken. Vanuit het hiervoor gevoerde pleidooi, voor functionaliteit als uitgangspunt voor exterieurbeoordeling, is het onacceptabel.

Min of meer vergelijkbaar zijn de situaties, waarin de keurmeester zodanig onder de indruk is van de schoonheid en gaafheid van één aspect van de hond, dat hij best bereid is daarvoor wat in te leveren. Van het welzijn van honden, wel te verstaan. Het is zo verleidelijk om die hond met dat sublieme hoofd op nummer één te zetten, ondanks het feit dat er achter dat hoofd een lichaam met grove structurele en functionele fouten zit. Zelfs als de welzijnsschade voor het te beoordelen individu meevalt, zou op z’n minst de vraag moeten worden gesteld naar de consequenties voor volgende generaties. Ook hier, net als bij de hiervoor aangeduide overdrijvingen, is ruimte voor het stellen van indringende vragen.

Tot slot
Er is alles aan gelegen, om samen tot conclusies te komen over hoe we met het hier gepresenteerde om willen gaan. De keuzen, die wij vandaag in onze selectieprogramma’s maken, bepalen de kwaliteit van het welzijn van onze rashonden in komende generaties. Het is zelfs niet ondenkbaar, dat rassen waarbij die kwaliteit van het welzijn systematisch en structureel tekort schiet, in de komende jaren ophouden te bestaan.

Hoe we dat ook wenden of keren, keurmeesters hebben een doorslaggevende stem in het bepalen van de selectiecriteria en de selectierichting. Het is aan de keurmeesters om de kynologie voor te gaan in de discussie over de consequenties van de huidige keuringsmethodiek voor het welzijn van onze rashonden.