Rashonden en erfelijkheid (1)

Hoe ziet de toekomst er uit voor de rashond? Wat moet er gebeuren om het tij te keren?
In haar artikel “Rashonden en erfelijkheid”, beschrijft Janneke Scholten de ontwikkeling en het fokken van rashonden en de gevolgen daarvan in de laatste anderhalve eeuw, zoals o.a.: genetische en erfelijke afwijkingen, inteeltdepressie en erfelijke ziektes. De S.I.W. kreeg toestemming om het artikel – gezien de lengte in vier afleveringen - in ons blad Shamrock te plaatsen. In deze eerste aflevering het onstaan van rassen , de erfelijkheidsinzichten in de vorige eeuw en de veranderingen. 

© Janneke Scholten, 2001
Bron: RHN - Rashonden Nederland 

Zodra we het woord ‘rashond’ gebruiken, praten we over erfe­lijk­heid. We willen een hond van speciaal dát ras, en niet van een ander ras. We kiezen onze rashond op grond van de kenmerken die typisch zijn voor het ras.
Daarbij gaat het om uiterlijke kenmerken, bijvoorbeeld kleur, beharing, grootte. Van een Teckel-pup verwachten we niet dat hij uitgroeit tot een hond van het formaat Rottweiler, en bij een Labrador met een lange, zijde­achtige beharing krabben we ons toch eens achter de oren.
Niet alleen van uiterlijke kenmerken, ook van karakter­eigen­schap­pen en werkaanleg hebben we bepaalde verwachtingen. Van een gezelschaps­­hond verwachten we niet dat hij mensenschuw is. De jager die een retriever in huis haalt, verwacht een hond die wil appor­teren. Een waakhond die bij het geringste onraad bibberend onder de bank duikt, toont géén rastypisch gedrag.
We hebben bij een rashond een duidelijk beeld voor ogen wat betreft uiterlijke verschijning én wat betreft gedrag en talenten. Die voorspelbaar­heid van raskenmerken is het resultaat van vele generaties gericht fokken, waarin de rastypische eigenschappen genetisch – erfelijk – zijn vastgelegd.

Ontstaan van rassen
Mensen en honden trekken al tienduizenden jaren met elkaar op. Maar de rashond-met-stamboom zoals we die vandaag de dag kennen is van vrij recente datum, die bestaat pas sinds ongeveer 1850.
In de loop van vele eeuwen ontwikkelde de mens ‘de hond’. Voor zover de mens selectief fokte, was de selectie gericht op het nut, de werkaanleg. Natuurlijke selectie zorgde er wel voor dat alleen die honden overleefden die in een bepaalde omgeving goed konden gedijen. Een naakthond zou het nu eenmaal niet ver gebracht hebben als sledetrekker op de Noordpool.
Zo tekenden zich heel langzaam groepen honden af met een bepaald werkdoel – waakhonden, trekhonden, veehoeders, jachthonden – en een bij het werkdoel en de omgeving passend ‘exterieur’ – lichaam, formaat, beharing.
Voor nieuwe generaties werden ouderdieren geselecteerd uit de groep gebruiks­honden die toevallig ter plaatse voorhanden was. Daardoor gingen, zeker in vrij geïsoleerde streken, de honden binnen zo’n groep steeds meer op elkaar lijken. Maar dat was een bijkomstigheid, dat was geen fok­doel op zich. ‘Goed’ werd afgemeten aan functio­naliteit, daar kwamen nauwelijks schoonheidsidealen aan te pas.Tegen de achtergrond van die ontwikkelingen over tienduizenden jaren, is 150 jaar natuurlijk niets. Toch zijn er juist in de laatste eeuw heel ingrijpende ver­ande­ringen geweest in de hondenfokke­rij. Het sleutelwoord daarbij is het gesloten stamboek, dat vanaf halverwege de negentiende eeuw de honden­fokkerij op z’n kop zette.Rond 1850 werden de eerste rassen ‘erkend’ en vonden de eerste honden­tentoon­stellingen plaats.

Gesloten stamboek
Men richtte rasverenigingen op en stelde ras­standaarden vast waarin vooral het uiterlijk van het ras nauwkeurig werd vastgelegd. En men besloot de afstamming van de honden te gaan registreren. In de loop van de tijd werd voor ieder ras een afstammingsregister aangelegd: het stamboek. Op tentoonstellingen en wedstrijden werden ‘de beste exemplaren’ van een ras aangewezen, en die honden werden ingeschreven als basis-generatie in het stamboek. Na enige tijd werden vrijwel alle stamboeken ‘gesloten’, dat wil zeggen, er konden geen nieuwe, nog niet ingeschreven honden meer aan worden toegevoegd, alleen nog maar nakomelingen van in het stamboek geregistreerde honden. Vanaf dat moment golden alleen nog honden als ‘raszuiver’ die geboren waren uit stamboek-ouders. Het hele ras moest het verder tot in lengte van dagen doen met het genetisch materiaal dat geregistreerd was op het moment dat het stamboek werd gesloten.
Die overgang van genetisch min of meer open groepen naar her­me­tisch afgesloten, raszuivere eilandjes waar geen ‘vreemd bloed’ meer werd toegelaten, betekende een keerpunt in de hondenfokkerij. Raszuiverheid werd een fokdoel op zich.*

Rashonden en Erfelijkheid
Tekening: A. Wick

Van nuttig naar mooi
Min of meer gelijktijdig met de opkomst van het gesloten stam­boek verdween voor veel rassen ook het werkdoel waarvoor zij ooit waren gefokt.
Niet alleen omdat hun taken vervielen of werden overgenomen, ook doordat men rassen in verre landen ontdekte en uit hun oorspronkelijke leef- en werkomgeving haalde.
In een grote stad valt nu eenmaal weinig ‘nuttigs’ te doen voor een Saluki, een Deerhound, een Tibetaanse Terriër.
Het nuttigheidsaspect van honden raakte zo op de achtergrond. Waar eerder de bruikbaarheid het belangrijkste selectiecriterium was voor de fokkerij, kwam de nadruk steeds meer te liggen op het uiterlijk, het exterieur van de honden. ‘Behoud van het ras’, doelstelling van iedere rasvereniging, werd daardoor in hoofdzaak vertaald in: honden fokken die voldoen aan het ideaal van de rasstandaard. Tentoonstellingen dienden om uit de geëxposeerde honden het beste fok­materiaal te selecteren.

 

Door met de mooiste honden verder te fokken, kon immers ook aan de tweede doelstelling van iedere rasvereniging worden gewerkt: ‘verbetering van het ras’.
Met honden die niet helemaal aan de exterieur­standaard voldeden kon maar beter niet worden gefokt, hun genen zouden het ras alleen maar vertroebelen. Men realiseerde zich niet dat de winst die hiermee werd geboekt in uiterlijk schoon, uiteindelijk duur betaald zou worden met de gezondheid van latere generaties.
Zo werd de genetische basis van de meeste rassen, die door het gesloten stam­boek al ernstig beperkt was, nóg verder versmald.

De veranderingen samengevat
In korte tijd, en bezien vanuit de geschiedenis van de hond nog maar heel kort geleden, voltrokken zich zo een aantal heel ingrijpende veranderingen in de hondenfokkerij.
Na tienduizenden jaren van geleidelijke ontwikkeling van de verschillende rassen waarbij

  • natuurlijke selectie zorgde voor vitale honden die zich in de lokale om­standig­heden konden handhaven,
  • menselijke selectie voornamelijk gericht was op gebruiks­doelen,
  • uiterlijke overeenkomsten in type eerder een toevallig bijproduct waren dan het resultaat van gerichte selectie,
  • genetische uitwisseling tussen groepen honden mogelijk was, werd de rashond in de afgelopen eeuw in een keurslijf geperst waarbij:
    - het gewenste uiterlijk bepaald werd door de rasstandaard, in plaats van door de omgeving en het werk waarvoor de hond was gefokt,
    - menselijke selectie voornamelijk gericht was op uiterlijk schoon,
    - genetische uitwisseling uitgesloten was,
    - de genetische basis, vanwege het gesloten stamboek al beperkt, nog verder werd versmald doordat vooral de kampioenen voor nageslacht zorgden.

Op basis van de genetische inzichten die in de loop van de twintigste eeuw beschikbaar kwamen, een rampenscenario. Vandaag de dag zou niemand een dergelijk fokbeleid durven aanbevelen. Met de erfelijkheidsinzichten van rond 1900 meende men echter op die manier de rashond niet alleen in stand te kunnen houden, maar zelfs te kunnen verbeteren.

* Een aardige anekdote in dit verband over een Nederlands ras: al in de eerste generaties van stamboomhonden (d.w.z. met drie generaties geregistreerde voorouders) is daar sprake van hoge inteelt, door opeenvolgende combinaties van bijvoorbeeld broer/zus, moeder/zoon, vader/dochter. Toen een raskenner van het eerste uur werd gevraagd wat meer over deze honden te vertellen, omdat dit toch wel héél bijzondere honden moesten zijn geweest, waarom anders zó veel inteelt, begon hij smakelijk te lachen. Ja, het waren inderdaad bijzondere honden, ze hadden namelijk een zéér gewenst kenmerk dat in zekere zin nog ‘erfelijk’ was ook: ze hadden een stamboom! En alleen uit twee geregistreerde ouders konden pups met stamboom komen – vandaar dat ze aan elkaar werden gepaard!