Rashonden en erfelijkheid (2)

Hoe ziet de toekomst er uit voor de rashond? Wat moet er gebeuren om het tij te keren?
In haar artikel “Rashonden en erfelijkheid”, beschrijft Janneke Scholten de ontwikkeling en het fokken van rashonden en de gevolgen daarvan in de laatste anderhalve eeuw, zoals o.a.: genetische en erfelijke afwijkingen, inteeltdepressie en erfelijke ziektes. De S.I.W. kreeg toestemming om het artikel – gezien de lengte in vier afleveringen - in ons blad Shamrock te plaatsen. In dit nummer de tweede aflevering.
Het eerste deel verscheen in Shamrock 2002 nr. 1

© Janneke Scholten, 2001
Bron: RHN - Rashonden Nederland 

Dat eigenschappen, kenmerken, afwijkingen enz. langs erfelijke weg worden doorgegeven is natuurlijk al heel lang bekend. Maar het inzicht in hóe de vererving precies in elkaar zit, en wat er allemaal bij komt kijken, is nog steeds groeiende. Vanaf ongeveer 1920 boekte de wetenschap enorme vooruitgang op dit gebied, en vanaf 1950 zijn de resultaten met veel succes toegepast, onder meer in de fokkerij van landbouwhuisdieren, het beheer van in het wild levende dieren en dierentuinpopulaties. Maar het zou nog jaren duren voordat de nieuwverworven kennis doordrong in de wereld van de rashondenfokkerij.
Daar borduurde men gewoon door op de inzichten van vóór 1900, zodat de fokkers gedurende een groot deel van de afgelopen eeuw met een verouderd erfelijkheidsmodel werkten. Men wist wel van het bestaan van genen, de dragers voor erfelijke eigenschappen, maar dacht dat er in wezen maar twee varianten van ieder gen waren: een goede versie, die normaal was, en een slechte versie, die af en toe de kop opstak. De fokkers beseften maar nauwelijks dat een beperkt aantal 'lijders' een duidelijke aanwijzing was, dat het ras inmiddels grote aantallen onvindbare en ongrijpbare 'dragers' bevatte.

Genen
Voor iedere eigenschap, ieder kenmerk, iedere lichaamsfunctie, iedere ziekte waren de verantwoordelijke genen duidelijk aanwijsbaar, dacht men. De hond werd gezien als een geheel dat opgebouwd was uit allemaal losse puzzelstukjes. Om de ideale hond te fokken, hoefden alleen maar de minder goed passende stukjes vervangen te worden door stukjes die wèl in het plaatje pasten.
Vanuit die visie was het niet zo'n grote sprong om te denken dat het vooral een kwestie van geduld was om een heel ras mooi en gezond te krijgen. Door zorgvuldig de 'verkeerde' genen eruit te fokken en de goede genen vast te leggen, moest het toch mogelijk zijn om een ras of de eigen lijn fokzuiver te krijgen, met enkel nog gewenste eigenschappen.
'Goed fokken' betekende dus: de slechte genen opsporen en uitbannen, de goede genen opsporen en behouden.
Inteelt - het paren van nauw verwante honden - leek de aangewezen weg om het ideaal van fok-zuiverheid te bereiken. In combinaties van vader en dochter, grootvader en kleindochter, moeder en zoon, broer en zus wordt immers al gauw duidelijk wat voor genen men in de kuip heeft. De 'slechte' genen komen bij inteelt aan het licht en kunnen weggeselecteerd worden, zodat alleen de 'goede' genen overblijven.

Wat fokkers lijnteelt noemen, is in wezen een milde vorm van inteelt, met iets minder nauw verwante dieren. Maar de achterliggende gedachte is dezelfde: door paring van verwante dieren ongewenste genen opsporen en uitbannen, en gewenste genen vastleggen.
Inteelt in combinatie met streng selecteren - het uitsluiten van honden met ongewenste kenmerken en alleen doorfokken met de allerbeste honden - leidde snel tot het gewenste resultaat, zeker wat betreft uiterlijke kenmerken. Dat inteelt ook zeer kwalijke gevolgen heeft, werd pas veel later duidelijk.

Kampioenen
Met inteelt en lijnteelt ontstonden de succesvolle kennels die een herkenbaar type hond fokten, en regelmatig kampioenen produceerden. Omdat veel van zulke kampioenen zwaar ingeteeld waren op één of enkele voorouders, was de kans groot dat ze voor al die fraaie eigenschappen fokzuiver waren, en dus ook alleen maar 'fraaie' genen konden doorgeven aan nakomelingen.
Die voorspelbaarheid van succes maakte dat ze ook door fokkers buiten de eigen lijn veel gevraagd werden. Iedereen wilde immers graag mooie en goede honden fokken. Soms waren zulke top-dekreuen zó populair, dat bijna alle fokkers in een ras ze voor hun teven gebruikten. Hetzelfde gebeurde met de zonen en kleinzonen van deze reuen, generatie op generatie op generatie. Vrijwel alle rassen kennen zulke populaire dekreuen waarvan het genetisch materiaal over het hele ras is verspreid.
Deze manier van fokken - inteelt, strenge selectie op exterieurkenmerken en populaire dekreuen - heeft ertoe geleid dat in veel rassen de genen van een handjevol voorouders overheersen. Alle honden gaan dan voor een groot deel terug op dezelfde voorouders. De beoogde 'fokzuiverheid' lijkt dus een heel eind gerealiseerd.
Toch zijn niet alle hedendaagse rashonden kampioenen, of zelfs maar 'mooi' in termen van de rasstandaard. Om over hun gezondheid maar helemaal te zwijgen... Wat ging er dan fout?

Recente inzichten
In de afgelopen decennia drongen de recentere wetenschappelijke inzichten ook door in de wereld van de rashondenfokkerij. De werkelijkheid van de genetica bleek toch wat gecompliceerder te zijn dan men verondersteld had.
De zwart-wit-voorstelling van een gen in twee varianten, goed en slecht, bleek niet te kloppen. In natuurlijke populaties zijn er voor ieder gen meerdere varianten in omloop. Een paar daarvan zijn echt defect, en leiden tot ziekte (of zijn zelfs dodelijk). Maar de meeste varianten van een gen zijn, in meerdere of mindere mate, 'goed', of liever gezegd 'bruikbaar'.

Dat is in de natuur niet voor niets zo geregeld. Als zulke genetische verscheidenheid ontbreekt, treden er allerlei problemen op, is er een hoog ziekte-risico, minder weerstand, en neemt het aanpassingsvermogen af. Een populatie met weinig genetische variatie is een kwetsbare populatie.
Voor de gezondheid en overlevingskans van een ras is het dus van groot belang dat er voor ieder gen meerdere varianten in omloop blijven. Dat betekent op het niveau van het individu, de hond, dat het belangrijk is om in ieder geval voor de meeste genen twee verschillende (bruikbare) varianten per genenpaar te hebben. Waar de ene variant misschien een steekje laat vallen, kan dat door de andere gecompenseerd worden, en dat gaat over en weer.
Verder bleek dat genen niet elk apart, maar in pakketjes worden doorgegeven van ouder op kind. Die pakketjes kunnen genen voor heel uiteenlopende kenmerken betreffen. Selectie op één kenmerk brengt zo, ongewild, ook selectie op andere kenmerken met zich mee, die altijd samen (gekoppeld) vererven.
En, om het nog ingewikkelder te maken: ook de veronderstelde één-op-één-relatie tussen genen en eigenschappen gaat niet op. Bij vrijwel alle kenmerken - alle biologische functies zoals immuniteit, spijsvertering etc., maar ook beendergestel, karakter - zijn meerdere, meestal heel veel genen werkzaam. Dat maakt het nog veel moeilijker om het totaal-effect van selectie op één onderdeel goed in te schatten. Met deze inzichten kunnen we al een groot deel van de problemen verklaren.

Ten eerste was de uitsluiting van 'foute' genen lang niet zo effectief als werd aangenomen. De echte grote defecten manifesteren zich wel, en die kunnen door selectie - menselijke of natuurlijke - ook wel grotendeels in de hand worden gehouden. Maar merken we het ook als een gen voor 85% functioneert? Of voor 60%? Waarschijnlijk niet, ook niet als een hond twee van zulke 'een beetje defecte' genen heeft. We denken dat die hond gezond is, zeker als eventuele gebreken - een zwak hart bijvoorbeeld, of een vorm van kanker - pas op latere leeftijd optreden. Als het dan ook nog een mooie hond is, dan is er waarschijnlijk mee gefokt, misschien zelfs wel véél mee gefokt. En die 'een beetje defecte' genen zijn zo alweer verder verspreid in het ras.

Ten tweede leidden de fokmethoden van inteelt, strenge selectie en vooral de overmatige inzet van populaire dekreuen, onherroepelijk tot een verarming van de genetische variatie. Ieder individu heeft twee exemplaren van elk gen. Het aantal genen in een ras is dus eindig. Als steeds meer honden genen hebben die van één en dezelfde voorouder afkomstig zijn, dan kan dat maar één ding betekenen: dat moet ten koste zijn gegaan van andere varianten van die genen, die verdwenen zijn of in ieder geval een sterk verminderd aandeel hebben. Door de gehanteerde fokmethoden is de genetische verscheidenheid drastisch teruggebracht - en juist die verscheidenheid blijkt onmisbaar om een ras vitaal te houden! 'Fokzuiver' krijgt zo een heel andere betekenis: een fokzuiver ras is kwetsbaar gemaakt.

Ten derde blijkt achteraf dat men eigenlijk helemaal niet wist op welke kenmerken geselecteerd werd. Met ieder puzzelstukje gingen andere stukjes mee. Die prachtige lange vacht ging misschien wel samen met wat zwakkere longen. Dat fraaie, typische hoofd bracht misschien wel een minder rastypisch gedrag mee. En met het wegselecteren van die lelijke lange oren, werd wellicht ook een deel van de genen voor goede heupen overboord gegooid.