Rashonden en erfelijkheid (3)

Hoe ziet de toekomst er uit voor de rashond? Wat moet er gebeuren om het tij te keren?
In haar artikel“Rashonden en erfelijkheid”, beschrijft Janneke Scholten de ontwikkeling en het fokken van rashonden en de gevolgen daarvan in de laatste anderhalve eeuw, zoals o.a.: genetische en erfelijke afwijkingen, inteeltdepressie en erfelijke ziektes.
Het eerste en tweede deel verschenen resp. in Shamrock 2002 nr. 1 en nr. 2

© Janneke Scholten, 2001
Bron: RHN - Rashonden Nederland  

Geen enkele hond is helemaal vrij van defecte genen. Iedere hond (en ieder mens) heeft onder z'n duizenden genen er zeker 6 tot 8 die schadelijk, zelfs dodelijk zijn. Zolang daar maar een gezond gen van hetzelfde genenpaar tegenover staat, heeft de hond er meestal geen last van. En zolang een hond niet buitensporig veel nakomelingen heeft, zal het ras er ook geen last van hebben, omdat de kans bijzonder klein is dat twee ouderdieren met precies díe afwijking elkaar ooit treffen. In een natuurlijke populatie zwerven honderden, mogelijk duizenden verschillende defecten rond, maar elk in zulke kleine aantallen dat het schadelijk effect verwaarloosbaar is.

Bij onze rassen is dat anders, want dat zijn geen natuurlijke populaties. Het gesloten stamboek was het begin van de genetische beperking. Inteelt, populaire reuen en te strenge selectie op een beperkt aantal kenmerken leidden tot een enorme verarming van het genenbestand. Daarmee zijn weliswaar ook heel wat van die defecte genen afgevallen, maar gelijktijdig zijn andere afwijkingen, afkomstig van een paar top-dekreuen, wijdverspreid geraakt. Die komen nu dus wèl bij hoge percentages honden voor. De kans dat twee ouderdieren een zelfde ziek gen bij zich dragen, en dus zieke pups krijgen, is dan ook vele malen groter geworden. Terwijl er minder verschillende ziektes in een rashondenpopulatie voorkomen, zijn er veel meer honden die aan dat kleinere aantal afwijkingen lijden. Zo ontstaan de 'ras specifieke' afwijkingen.
Zelfs bij vrij eenvoudig verervende afwijkingen, waarbij maar één gen is betrokken, duurt het meestal een aantal generaties voordat ze aan het licht komen. Zolang niet beide ouders de afwijking doorgeven wordt er nietsvermoedend doorgefokt met dragers, die allemaal het zieke gen weer doorgeven aan de helft van hun nakomelingen. Totdat er zó veel dragers zijn dat twee dragers gecombineerd worden, en de eerste zieke pups worden geboren. Vaak realiseert men zich dan nog niet gelijk dat het om een erfelijk probleem gaat. Pas als er meer gevallen bekend raken, wordt langzamerhand duidelijk dat het ras met een erfelijke ziekte te maken heeft, maar dan is het kwaad allang geschied. De hond die drie, vier of meer generaties terug de ziekte introduceerde, heeft veel nakomelingen gehad, waar intussen ook alweer mee gefokt is, zodat de dragers door het hele ras zitten.
Zodra zo'n nieuwe erfelijke ziekte de kop opsteekt, worden er ook weer nieuwe selectie-rondes ingezet. Dragers worden opgespoord en dikwijls van de fok uitgesloten. Een paar reuen uit 'vrije' lijnen worden ineens razend populair. Hun overmatige inzet leidt weer tot verdere verarming van het genetisch bestand - en op den duur, onherroepelijk, tot de volgende erfelijke afwijking. En zo gaat het van kwaad tot erger...
Een deel van de problemen blijkt zo het gevolg te zijn van een verstoring in het genetisch evenwicht van de populatie. Maar er zijn nog meer problemen, en ook die zijn terug te voeren op een verstoorde balans.

Beschrijven rasstandaard leidde tot overdrijven
In het streven naar 'verbetering van het ras' ging de rasstandaard een eigen leven leiden. Ooit was de standaard opgesteld als een beschrijving in ideaaltermen van de groep honden die tot het ras werden gerekend. Maar beschrijven werd overdrijven. Als volgens de standaard 'klein' mooi was, dan was kleiner nóg mooier. Sprak de standaard van een brede schedel, dan was de breedste schedel de mooiste. Een lange rug kon langer, een diepe borst dieper, een korte voorsnuit korter, een plooihuid geplooider.
Maar een hond is niet een verzameling losse onderdelen die, al naar gelang de laatste modegrillen, aangepast of verbouwd kunnen worden. Zijn uiterlijke verschijning dient niet in eerste instantie om ons oog te strelen. Die buitenkant is de vormgeving van een lichamelijke balans, de balans die een hond tot een goed-functionerend geheel maakt. Geen losse onderdelen dus, maar een samenhangend geheel. En ingrijpen in één onderdeel werkt door in dat geheel.

Voor een boekenplank van een meter zijn twee draagsteunen genoeg. Voor een langere plank zijn meer steunen nodig, of dikker hout, want anders zakt hij door. Dat begrijpt iedereen. Bij een hond is het niet anders. Maar dat begint kennelijk pas nú een beetje door te dringen.

Er zijn voorbeelden te over van rassen waarbij de menselijke verfraaiingsdrang alle proporties uit het oog heeft verloren. Een borstkas die zo diep en smal is, dat de maag in het gedrang komt - maagkantelingen zijn het resultaat. Schedels die zo breed zijn dat ze niet meer door het geboortekanaal kunnen - keizersnee. Ruggen die zo lang zijn dat het onderstel het niet meer kan bijbenen - hernia. Voorsnuiten die zo kort zijn dat de ademhalingswegen in het gedrang komen - zuurstoftekort. Schedels die zo klein zijn dat ze de hersens niet meer kunnen omvatten - open fontanellen. Een extreem geplooide huid - eczeem. De lijst lijkt eindeloos.

Vroeger bepaalde de natuur de selectie
Natuurlijke selectie zou dergelijke praktijken allang hebben afgestraft, ware het niet dat we ons uiterste best hebben gedaan om die selectie uit te schakelen.
Honderd jaar geleden had de natuur nog een behoorlijk grote stem in de selectie: zwakke, zieke, onaangepaste dieren hadden weinig kans op nakomelingen. Medische zorg om zieke dieren in leven te houden ontbrak, en een teefje dat niet op natuurlijke wijze kon bevallen overleefde de bevalling niet, net zo min als de pups. Dat was voor het individu in kwestie hard, maar voor de populatie van belang, want op die manier konden ook hun schadelijke genen niet verspreid worden. De meest extreme uitwassen ten gevolge van onverantwoord fokken werden zo toch nog een beetje gecorrigeerd.

Maar in de afgelopen vijftig jaar heeft de diergeneeskunde een enorme vlucht genomen. Voor allerlei kwalen en afwijkingen werden remedies gevonden. Genezen, opereren, onderdrukken, verhelpen - de diergeneeskunde reikt ons een breed scala van middelen aan om honden met een gebrekkige genetische bagage te hulp te komen. Voor het individu is dat natuurlijk een uitkomst, en soms levensreddend. Diezelfde medische hulp maakt het echter ook mogelijk dat zo'n 'gerepareerd' dier aan de voortplanting deelneemt, en dat is voor de populatie levensbedreigend. De schadelijke genen worden weer doorgegeven aan volgende generaties, en een deel van de natuurlijke selectie op vitaliteit is daarmee uitgeschakeld.

Een ander effect van de voortschrijdende veterinaire kennis is, dat fokkers lang kunnen ontkomen aan de gevolgen van verkeerde keuzes.
De gevolgen van inteelt - onder meer verminderde weerstand, verminderde vruchtbaarheid - kunnen vooruitgeschoven worden met entingen, diëten, ontstekingsremmers, hormoonkuren, kunstmatige inseminatie. De gevolgen van extreme lichaamsbouw - maagkantelingen, hernia's, hartkwalen, moeizame bevallingen - kunnen vaak operatief verholpen worden. Veel ziektes die het gevolg zijn van overmatige inzet van populaire reuen - epilepsie, schildklier- en alvleesklierproblemen, spijsverteringsstoornissen, atopieën - zijn met medicijnen te onderdrukken.

We vragen ons niet meer af of dat allemaal zo normaal is
Niet alleen hebben we de natuur de mogelijkheid ontnomen om ons te corrigeren, we raken langzamerhand ook gewend aan de gevolgen daarvan. 'Bij dit ras zijn de nesten nóóit groter dan 2, 3 pups'. 'Dat ras wórdt nou eenmaal niet ouder dan 8, hooguit 9 jaar'. 'Ze bevallen altíjd via een keizersnee'. We vragen ons niet meer af of dat nou eigenlijk allemaal wel zo normaal is - we weten haast niet beter.

We weten haast niet beter, omdat processen als vermindering van vruchtbaarheid, verkorting van levensduur, vermindering van weerstand heel geleidelijk gaan. Tussen twee, drie, vier opeenvolgende generaties is er bijna geen verschil te merken, en voor de meeste fokkers zal het dan ook niet zichtbaar zijn. Pas bij een vergelijking over meer generaties blijkt dat er wel degelijk verschil is.
Dergelijke symptomen van achteruitgang in de vitaliteit van een ras worden samengevat met de term 'inteeltdepressie'. De term zegt het al: inteeltdepressie is het gevolg van het feit dat de individuen binnen een populatie te sterk aan elkaar verwant zijn. Er is onvoldoende genetische variatie, waardoor de populatie steeds kwetsbaarder wordt.

De combinatie van een gesloten stamboek, sterke selectie op exterieur, inteeltmethoden en het gebruik van populaire dekreuen heeft geleid tot een enorme genetische verarming bij onze hondenrassen. Waar steeds afgaat en niet bijkomt, dat wordt minder, en minder, en minder...
Het is dan ook geen wonder dat we de symptomen van inteeltdepressie beginnen waar te nemen. Allergieklachten, vatbaarheid voor infecties, reuen die niet spontaan dekken, teefjes die leeg blijven na een dekking, weeënzwakte, aanpassingsproblemen die zich uiten in nervositeit en angst, afnemende gemiddelde levensduur - het zijn allemaal uitingen van een gestaag vitaliteitsverlies.
Met behulp van antibiotica, ontstekingsremmers, kunstmatige inseminatie, keizersnee en valium valt er misschien nog wel mee te leven, maar de oorzaak van de problemen pakken we daar niet mee aan.