Rashonden en erfelijkheid (4)

Dit is het laatste deel van de artikelenserie “Rashonden en erfelijkheid”, waarin Janneke Scholten de ontwikkeling en het fokken van rashonden en de gevolgen daarvan in de laatste anderhalve eeuw beschrijft. De eerste drie delen verschenen resp. in Shamrock nr. 1, 2 en 3 van dit jaar.

© Janneke Scholten, 2001
Bron: RHN - Rashonden Nederland 

Afwijkingen horen bij het leven, en zijn in die zin normaal. Het is een illusie om te denken dat het mogelijk is om alleen nog maar kerngezonde honden te fokken. Zieke honden zullen altijd geboren worden, dat kunnen we niet verhinderen. We kunnen wèl de mate waarin die afwijkingen optreden beïnvloeden. Dat ze bij onze rashonden in procenten voorkomen, terwijl ze bij andere dierpopulaties in fracties van promillen voorkomen, is geen natuurwet, dat heeft vooral te maken met hoe wij onze honden hebben gefokt. We mogen niet accepteren dat een groot deel van de rashonden zodanig erfelijk belast is, dat ze zonder medisch ingrijpen geen leven hebben. Er moet iets gebeuren, zo veel is duidelijk.
Een overzicht van 150 jaar rashondenfokkerij geeft niet alleen inzicht in wat er fout is gegaan, het geeft ook de richting aan waarin we naar oplossingen moeten zoeken.

De huidige problemen zijn vooral ontstaan door:

  • overdrijving van exterieurkenmerken waardoor het biologisch functioneren van de hond wordt aangetast.
  • grootschalige verspreiding van de genetische afwijkingen van enkele individuen, waardoor hoge percentages honden binnen een ras lijden aan rasspecifieke erfelijke afwijkingen (populaire dekreuen).
  • fokmethoden die de genetische variatie dramatisch beperken en tot inteeltdepressie leiden (inteelt, strenge selectie, populaire dekreuen).

De problemen liggen vooral op het niveau van de populatie, het ras. Voor structurele oplossingen zullen de problemen dan ook op ras-niveau moeten worden aangepakt. Dat kan geen fokker in z'n eentje, dat vereist een gezamenlijke inspanning van fokkers, rasvereniging, keurmeesters en eigenaren.
Diergeneeskundige zorg beweegt zich op het terrein van het individu, niet op het terrein van de populatie. De diergeneeskunde biedt - broodnodige - uitkomst voor dieren die medische zorg behoeven, maar kan niet voorkomen dat zulke dieren worden geboren, en dát is nou juist het probleem dat we moeten aanpakken. Dat betekent dat we geen structurele oplossingen kunnen verwachten vanuit de diergeneeskunde.

Hoe verder met overdreven exterieur?
Waar gezondheids- en welzijnsproblemen een regelrecht uitvloeisel zijn van een extreme interpretatie van de rasstandaard, is de oplossing duidelijk. Daar dienen de schoonheidsidealen te worden bijgesteld, zowel op tentoonstellingen als bij de keuze van fokdieren.
In het verleden is het gelukt om, via gericht fokken, lichamelijke kenmerken zo ver te overdrijven dat ze disfunctioneel werden. Dan moet het nu toch mogelijk zijn om, op dezelfde manier, de ontstane schade weer teniet te doen, door bij de fokkerij de voorkeur te geven aan de dieren met minder extreme kenmerken.

Hoe verder met erfelijke afwijkingen?
Het wordt moeilijker als we oplossingen zoeken voor de grootschalige verspreiding van erfelijke afwijkingen. Daarbij gaat het vrijwel altijd om recessieve afwijkingen - dat wil zeggen dat we wel de lijders kunnen herkennen, maar lang niet altijd de dragers, de honden die de afwijking doorgeven zonder zelf ziek te zijn. Uitsluiten van alle 'verdachte' dieren - lijders, dragers en hun naaste familie - zou voor de meeste rassen rampzalig zijn, omdat dan wéér een groot deel van het genenbestand verdwijnt. En we hebben gezien waar dat toe leidt.
Voor sommige erfelijke afwijkingen bestaat intussen DNA- of markeronderzoek voor een beperkt aantal rassen. Met DNA-onderzoek kunnen de genetisch vrije honden, de dragers en de lijders al op jonge leeftijd worden geïdentificeerd, voordat ermee wordt gefokt. Bij verstandig gebruik kan DNA-onderzoek ons helpen te voorkomen dat er zieke honden worden gefokt. Dat kan, door geen ouderdieren te combineren die beide het defecte gen in kwestie kunnen doorgeven (lijders en dragers).
Toch moeten we goed de valkuilen van DNA- en ander gezondheidsonderzoek voor ogen blijven houden. De verleiding is groot om alleen nog maar met vrije honden te fokken. Het resultaat daarvan is onvermijdelijk: verdere verarming van het genenbestand, en op termijn nieuwe erfelijke afwijkingen. Want àlle honden dragen schadelijke genen bij zich, als het niet voor de ene ziekte is, dan is het wel voor een andere.
Met DNA-onderzoek en ander onderzoek kunnen we hopelijk voor een beperkt aantal erfelijke afwijkingen de ontstane schade indammen. Maar daarmee bestrijden we alleen maar de symptomen van dat veel ernstiger proces, het verlies van erfelijke variatie. De oorzaken worden er niet mee aangepakt. Die liggen voornamelijk in de overmatige inzet van een veel te klein aantal reuen. En zolang we daarmee doorgaan, blijft het dweilen met de kraan open.

We zullen voorlopig moeten blijven dweilen. Maar laten we dan intussen wèl de kraan dichtdraaien, door het aantal dekkingen per reu te limiteren. Daarmee voorkomen we dat de schadelijke genen van één individu zich over een heel ras verspreiden. Risicospreiding is de enige manier om het probleem van rasspecifieke erfelijke afwijkingen structureel aan te pakken. Super-verervers bestaan niet, hebben nooit bestaan en zullen nooit bestaan.
Om de problemen aan te pakken die samenhangen met het verlies aan genetische variatie, zal het roer nog veel verder om moeten.
Beperking van het aantal dekkingen per reu is ook daarbij een belangrijke stap, maar niet voldoende. De nog aanwezige genetische variatie binnen een populatie zal optimaal gebruikt moeten worden. Dat betekent dat de fokdieren een zo breed mogelijke weerspiegeling van het ras moeten vormen.

Wat te doen aan inteeltdepressie?
Als we de resterende genetische variatie willen behouden, en de gestaag toenemende inteelt een halt willen toeroepen, heeft het weinig zin om 30 dekkingen te verdelen over vier nestbroertjes. Dan moeten we op zoek naar de minder verwante honden, en misschien de kampioenen even op stal zetten. Onze fokreglementen heel kritisch bekijken, en vooral geen onnodige barrières opwerpen. Dan moeten we leren om de middenmoot van 'gewone', goed-functionerende G- en ZG-hondjes met respect te behandelen, want dáárin zit de genetische variatie.
En als de nood zó hoog gestegen is dat er binnen het ras geen variatie meer te vinden is, dan moeten we misschien zelfs helemaal terug naar het begin van de problemen, het stamboek weer opengooien, en kruisingen met een verwant ras overwegen.
Inteeltdepressie bestaat echt. Ook bij honden. Juist bij rashonden. Misschien zouden rasverenigingen er goed aan doen om 'verbetering van het ras' uit hun doelstelling te schrappen. Laten we beginnen met 'herstel van het ras'. Dan kunnen we weer hopen op 'behoud'.

Ja maar, bij míjn ras ligt het anders
Het bovenstaande is natuurlijk een heel sterk vereenvoudigde schets. Niet alle rassen zijn voornamelijk showrassen, niet alle rassen hebben in dezelfde mate te kampen met erfelijke afwijkingen, niet alle rassen vertonen tekenen van inteeltdepressie, en lang niet alle rassen hebben te lijden gehad onder misvormende schoonheidsidealen.
Maar laten we onszelf niets wijsmaken. Voor werkkampioenen gelden echt dezelfde geneticawetten als voor showkampioenen, voor polygene afwijkingen gelden dezelfde wetten als voor enkelvoudig verervende ziektes.
De processen zijn in ieder ras gelijk. Sommige rassen bevinden zich aan het einde van de doodlopende weg, andere zijn pas halverwege. Dat verandert niets aan het feit dat de weg dood loopt.

© Janneke Scholten, 2001
Bron: RHN - Rashonden Nederland 

Met dank aan Ed Gubbels voor het kritisch doorlezen en becommentariëren van de concepttekst.

Literatuur
Armstrong, John B., The Canine Diversity Project 
onder meer:
'The nature of genetic diseases' (1998)
'Eliminating mutation: the impossible dream' (1999)
'Population genetics and breeding (2000)
Bragg, J. Jeffrey, Purebred Dog Breeds into the Twenty-First Century
Gubbels, E.J.
'Erfelijkheidsonderzoek, een zaak van overleven' (Colliewijzer, maart 1992).
'Hondenfokkerij en erfelijkheidsleer' (Het Collieblad , juni 1993).
'Gestoorde fertiliteit, een erfelijk probleem' (Nederlands Congres voor Hondenfokkers, De Reehorst, Ede, 1997).
Wachtel, H. Breeding Dogs for the Next Milennium  (1997).